Menu
Jan-Schukkink

Jan-Schukkink

Functie
Gastblogger en schrijver van Levend Landschap
Jan Schukkink is gastblogger. Hij is cultureel antropoloog en schrijver van het boek Levend Landschap.

Noodzaak van vooruitgang zo oud als het vliegveld

29 jun, 2015 / Jan-Schukkink

In 1741 kocht de familie Blijdenstein het Amelink. Dit buitenhuis werd het vertrekpunt van al hun ondernemingen. Als fabrikeurs, handelaren in textiel, kwamen ze al gauw ruimte te kort. Het buitenhuis werd geen luxe verblijf, maar vooral een pakhuis. Ze kochten schuurtjes en boerderijtjes in Lonneker voor de opslag van garens en stoffen die op de boerderijen werden gemaakt. Vervolgens kochten ze gronden aan om de weefsels te kunnen bleken. De aanwezigheid van stromend water vanaf de stuwwal bood de gelegenheid om blekerijen en ververijen voor de behandeling van bombazijn en linnen weefsels aan te leggen. Zo ontstond de Blijdensteinbleek op het Amelink. Nadat de industriële revolutie een feit werd en de textielproductie werd geconcentreerd in fabrieken, transformeerden de fabrikantenbuitens tot oorden van luxe en vermaak waar beoefening van de jacht en het familieleven centraal stond.

Kansen voor fabrikeurs
De doopsgezinde Blijdensteins waren in de 17de eeuw gedwongen Westfalen te verlaten. Ze hadden sterk te lijden onder de periodiek oplaaiende godsdienstoorlogen. In Nederland waren ze aanvankelijk uitgesloten van functies in het openbaar bestuur en het leger. Als buitenstaanders waren ze sterk aangewezen op elkaar. Familiebanden waren hecht. Ze legden zich gaandeweg meer toe op de handel. Ze hadden affiniteit met de landbouw. Ze onderhielden hechte kontakten met huiswevers en boerenfamilies. De linnen- en zaadhandel in Twente bood kansen. Als linnenreiders of fabrikeurs handelden ze ondermeer in textielproducten en zodoende verbonden ze regionale markten met elkaar. Een ander aspect van deze vluchtelingengemeenschap was hun internationale oriëntatie waardoor ze de weg in de wereld van de Vlaamse en Britse textielindustrie goed wisten te vinden. Dankzij deze kontakten met de bakermat van de industriële revolutie, kwamen de nieuwste technieken naar Twente en raakte Twente bekend als het grootste textielimperium (‘het Manchester’) van het vasteland van Europa.

Industriele revolutie
Na de Franse tijd (1795 – 1813) werden doopsgezinden voor de wet gelijkgesteld en kregen ze toegang tot politieke functies. Ze ontpopten zich al snel tot politieke en economische ondernemers en vernieuwers. Jan Bernard Blijdenstein werd de eerste burgemeester van Enschede. In de loop van de tijd wisten de dopersen toegang te krijgen tot posities waartoe ze voorheen geen toegang hadden. Ze  transformeerden van buitenstaanders tot een elite van gevestigde ondernemers, een stedelijk patriciaat dat toegang verkreeg tot de plaatselijke en landelijke politieke gremia. Van opkopers van textiel werden ze fabrikanten die optimaal wisten te profiteren van de mogelijkheden tot mechanisatie en technische innovatie. Dit had grote gevolgen voor de relatie tussen fabrikanten en boeren. Was de machtsrelatie tussen fabrikeur en thuiswever nog in redelijk evenwicht, nadat de wevers in de fabrieken werden geplaatst, waren de wevers overgeleverd aan de almacht van de eigenaren van de productiemiddelen. Voortaan werd het garen niet naar de wever gebracht, maar werden wevers ondergebracht in fabrieken waardoor ze volledig afhankelijk werden van de verdiensten in de fabriek.

Dubbele kanteling
Naast de industriële revolutie vond er nog een andere kanteling plaats die grote gevolgen had voor het aanzien van het landschap. Met de oude landbouwmethoden waarin de veeteelt in dienst stond van de landbouw, was het niet langer mogelijk de groeiende bevolking te voeden. Experimenten met kunstmest waren het gevolg. Doordat deze een succes werden, kwam er een einde aan de potstal, de vermenging van mest en plaggen waarmee de vruchtbaarheid van de akkergrond werd verbeterd. Plaggen bleken bovendien niet effectief in het stoken van de stoommachines. Steenkool bleek hiervoor het aangewezen materiaal. 

Door de opheffing van de marken, de organisatie van de boeren, werden vanaf 1830 de woeste gronden massaal in de verkoop gedaan. Voor de boeren was bezit van deze gronden niet aantrekkelijk omdat er belasting werd geheven op niet-bewerkte grond. Ontginning daarentegen werd fiscaal gestimuleerd. De Blijdensteins waren door hun contacten goed op de hoogte van beschikbare gronden en kochten deze massaal op om ze op een commerciële manier te exploiteren. Landbouwexperimenten werden gedaan en productiebossen werden aangelegd. Zodoende kwam er een einde aan het eindeloze heidelandschap. De productiebossen moesten hout leveren voor de mijnbouw die door de introductie van stoommachines een enorme impuls had gekregen. Nadat de fabrieken op stoom waren gekomen, werd de fabrikantenbuitenplaats een oord voor experiment. Er werden proeven genomen met het planten van uitheemse bomen, diverse typen kunstmest werden toegepast, dennenbomen werden geplant ten behoeve van de mijnbouw; de eindeloze vlakten werden ontgonnen. De aanleg van buitens en de landbouwexperimenten trokken hun sporen in het landschap. En op de boerderijen stond voortaan de landbouw in dienst van de veeteelt.

Komst van coöperaties
Lonneker vervulde eind 19de eeuw een voortrekkersrol bij de grote transformaties op landbouwgebied. Dit hield vooral verband met de verbetering van de organisatie van landbouwers. De boeren bundelden diverse activiteiten in coöperatieve verbanden. Er kwamen coöperaties voor de inkoop, voor de verwerking van melk, voor een fokvereniging. De gedaante van het landschap veranderde ingrijpend doordat voormalige heidevelden werden omgezet in cultuurlandschap of plaats maakten voor bossen. Aan de ruisende roggevelden kwam een einde; maisvelden gaven voortaan de toon aan.

Het vliegveld
Alles was met vliegen te maken had, kon zich zo’n honderd jaar geleden verheugen in een grote publieke belangstelling. Rond 1910 konden de eerste vliegdemonstraties in Twente worden bewonderd. Na de Eerste Wereldoorlog was gebleken dat de partij die de baas was in de lucht, de oorlog niet kon verliezen. En Twente, de Enschedese burgemeester Edo Bergsma voorop, was voortdurend bezig met de vraag hoe de infrastructuur kon worden verbeterd opdat Twente aansluiting zou vinden bij economische kansen.
In 1932 landde het eerste toestel vanuit Amsterdam op Twentse bodem. Dit keer waren het niet de grote ondernemers die zich ontpopten als pleitbezorgers van innovaties. Van Heek, Ledeboer en Tattersall waren tevens grootgrondbezitters die het niet prettig vonden een vliegveld naast de deur te hebben. Het vliegveld Twenthe-Enschede is geen commercieel succes geworden. Geen enkel jaar van het zevenjarig bestaan van de onderneming werd met winst afgesloten. De concurrentie met het spoor voor zowel vervoer van vracht als van personen, bleek te groot en net voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd het 60 hectare grote terrein afgesloten.

Fliegerhorst
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ging de Duitse bezetter voortvarend aan het werk met de aanleg van een Fliegerhorst. In een enorm tempo werd dit vliegveld vanaf november 1940 gebouwd. Vrijwel de gehele bouwcapaciteit van Twentse bedrijven werd hiervoor ingezet. In 1941 werkten er 6000 bouwvakkers. Via de spoorlijn Enschede-Oldenzaal, die voor dit doel weer werd hersteld, werd materiaal aangevoerd. De Fliegerhorst werd zo’n 1600 hectare groot. Camouflage was het centrale begrip bij de aanleg. Gebouwen werden zoveel mogelijk opgenomen in de bestaande landschapsstructuren en bouwtradities. Van bovenaf gezien moest het vliegveld de indruk wekken van een landgoed met daarin een aantal kleine agrarische nederzettingen. Overigens namen de Duitsers het niet zo nauw met tradities op het gebied van architectuur: de brandweerkazerne kreeg het uiterlijk van een Friese stolpboerderij, terwijl de gevel van de officiersmess werd ‘verfraaid’ met trapgevels. Ruim 90 gezinnen en boerderijen werden onteigend. De gezinnen kregen een maand de tijd om elders een goed heenkomen te zoeken.
Deze onteigeningen kregen een lange juridische staart doordat de Nederlandse defensie na beëindiging van de oorlog weigerde de geconfisqueerde gronden terug te geven. Het rijk had namelijk besloten de militaire bestemming van het beschadigde vliegveld te handhaven. De Staat bleef zich daardoor gedragen als eigenaar van de door de Duitsers genaaste gronden. Pas in 1952 deed de rechtbank een uitspraak waardoor de gedupeerden schadeloos gesteld werden. Daardoor kromp het vliegveld fors en werd het teruggebracht tot een kleine 500 hectare.

Snel herstel
Na de oorlog werd het vliegveld in sneltreinvaart hersteld voor gebruik. Nederland nam positie in in de Koude Oorlog. Veel bouwwerken en installaties zijn ongemoeid gelaten. Tot begin jaren tachtig werd de Duitse infrastructuur zoals deze was achtergelaten, volledig gebruikt en voor zover ze niet werden gebruikt bleven ze staan, zoals de schietinstallatie voor de Messerschmitt’s. In de loop van de tijd werden in NAVO-verband verschillende vliegtuigtypen gestationeerd op Twenthe. Dit had tot gevolg dat er regelmatig aanpassingen aan de technische infrastructuur moesten worden gedaan. Zodoende verschenen diverse typen hangars die herkenbaar zijn aan de zeer functionalistische architectuur. Er werden diverse pogingen ondernomen om de burgerluchtvaart weer van de grond te krijgen; uiteindelijk zonder resultaat. In 2003 kondigde defensie aan dat de vliegbasis zou worden gesloten. Dit besluit sloeg in als een bom. In de voorafgaande jaren was immers nog fors geïnvesteerd in onder meer de 3 kilometer lange start- en landingsbaan waarop de grootste Boeings hun weg konden vinden. In 2005 verliet het laatste squadron de basis. In 2008 werd het personeel van Enschede Airport Twente ontslagen. In 2011 hebben de Provincie Overijssel en de gemeente Enschede de zeggenschap over de grond gekregen. Hiermee kwam na ruwweg 70 jaar een einde aan de militaire functie van het terrein.

Cultuurhistorisch erfgoed
De achtereenvolgende aanwezigheid van ondernemers als de boeren, fabrikeurs, fabrikanten en militairen hebben een cultiverend effect gehad op het gebied. Het landschap is kleinschalig gebleven, veel gebouwen uit diverse perioden zijn blijven staan. Een Duits wachthuisje staat nog steeds in de buurt van de F-16 shelter. Aan De Strip staat een shelter tegenover de brandweerkazerne uit de Duitse tijd. Op de Lonnekerberg ligt het graf van Blijdenstein uit 1896 op een steenworp afstand van de schietbaan van de Duitse Messerschmitt’s. Op landgoed het Holthuis staat nog een hooimijt die door de Duitsers is gebouwd als munitiebunker. Over camouflage gesproken. En op Hof Espelo zijn er nog Splitterboxen, hoefijzervormige aarden wallen waarin de nachtjagers verdekt konden worden opgesteld. Zo kun je het landschap lezen als een weerspiegeling van verschuivende machtsbalansen tussen groepen mensen en van menselijke ambities. Eigenlijk kun je het verhaal van de sociaal-economische ontwikkeling van Twente vertellen aan de hand van een wandeling door de driehoek tussen Enschede – Hengelo en Oldenzaal, een Twentse binnentuin. Het verhaal van dit gebied kan beter worden opgetekend. Er is nog veel te ontdekken in dit gebied dat tientallen jaren in de hekken heeft gestaan en waar publiek en gemeente Enschede nauwelijks toegang toe hadden. De tastbare herinneringen aan de Duitse aanwezigheid maken dit landschap tot een schuldig landschap waar ook de gemeente Enschede weinig over heeft gesproken. In veel publicaties komt de Fliegerhorst niet voor. Maar er is nog een ander ding. Door de textielallergie heeft Enschede veel gebouwen gedachteloos prijs gegeven aan de eeuwigheid. Het zou jammer zijn wanneer vanuit een vliegveldallergie hetzelfde gebeurt.

Over Levend Landschap
De publicatie “Levend landschap, een cultuurgeschiedenis van het Lonneker Land en de vliegbasis Twenthe” gaat over de vele gedaanteveranderingen die dit gebied tussen Enschede, Hengelo en Oldenzaal de laatste eeuwen heeft ondergaan. In de publiciteit leek deze driehoek vooral bekend geworden als het domein van bestuurders die nieuw leven wilden inblazen in één van de grootste start- en landingsbanen van Nederland. Dat gebeurde overigens met een motivatie die rechtstreeks leek te zijn overgeschreven van de bevlogen speeches die in de twintiger jaren van de vorige eeuw door burgemeester Edo Bergsma en directeur Plesman van de KLM ten beste werden gegeven. Het ging ook toen al om verbetering van de sociaal-economische kansen van Twente door aansluiting te vinden bij internationale ontwikkelingen. De trom van de noodzaak van vooruitgang wordt al zo’n anderhalve eeuw geroerd. En dan is de kwaliteit van de infrastructuur van wezenlijk belang. Tegelijkertijd kent het tegenwoordige publiek het vlieggebied nauwelijks. Het stond immers ‘binnen de hekken’ en militairen maakten er de dienst uit. 

Prijsaanvragen

De vragen die zijn aangegeven met een * zijn verplicht
Uw verzoek is verstuurd.

Bezichtiging aanvragen

De vragen die zijn aangegeven met een * zijn verplicht
Uw verzoek is verstuurd.